Er was een oude man die in een klein dorpje woonde. En hoewel hij arm was werd hij toch door iedereen benijd omdat hij eigenaar was van een prachtig wit paard. Zelfs de koning was er jaloers op. Nog nooit had men zo’n prachtig paard gezien: zo mooi, zo gracieus, zo sterk.
Heel wat mensen hadden al een geweldige prijs voor dat dier geboden maar de oude man had elk aanbod al altijd afgeslagen. “Dit paard is voor mij meer dan zomaar een paard”, zei hij steeds. “Het is een persoon en een persoon kun je toch niet verkopen! Het is een vriend en geen bezit. Kun je soms een vriend verkopen?” De man was heel arm en de verleiding was vaak groot maar hij verkocht het paard nooit.
Op een morgen merkte hij dat het paard niet meer in de stal stond. Heel het dorp stroomde bij hem samen. “Je bent een oude dwaas”, schampte sommigen. “ We hebben je toch vaak verwittigd dat je wel eens bestolen kon worden! Je bent ook zo arm. Je was immers niet in staat om zo’n kostbaar dier veilig te bewaren. Het was toch beter geweest dat je het had verkocht. Je kon er gelijk welke prijs voor krijgen. Geen bedrag was te hoog! Nu is het paard weg; er is echt een vloek over je gekomen.”
Maar de oude man antwoordde: “Je mag niet zo vlug oordelen. Je kunt enkel zeggen dat het paard niet in de stal is. Dat is het enige wat we weten; de rest is vooroordeel. Hoe kun je nu weten dat er een vloek over me is gekomen? Hoe kan je daarover oordelen?
De mensen lachten hem uit: “Doe nu niet of wij de dwazen zijn. We zijn misschien geen filosofen, maar hier heb je ook geen filosofie nodig. Het is een feit dat je paard weg is; het is een vloek!”
De oude man herhaalde opnieuw: “Het enige dat we weten is dat de stal leeg is en dat het paard weg is. Al het andere weten we niet. Ik kan dus niet zeggen of dit een vloek of een zegen is. We zien enkel een fragment. Wie kan voorspellen wat er zal volgen?”
De dorpsbewoners bleven hem uitlachen. Ze vonden dat de oude man echt gek was. Ze hadden immers altijd al gedacht dat hij een dwaas was: als dat niet zo was had hij het paard toch verkocht en met het geld een comfortabel leventje geleid. In de plaats daarvan was hij nu nog altijd een arme houthakker; iemand die brandhout hakte in de bossen en het op de plaatselijke markt verkocht. Hij leefde van dag tot dag, in armoede. En nu had hij toch wel bewezen dat hij echt een dwaas was?
Na veertien dagen kwam het paard terug. Het was niet gestolen; het was weggelopen, het bos in. En het paard kwam niet alleen terug maar het werd vergezeld door twaalf wilde paarden. En opnieuw kwamen alle mensen bij mekaar rond de hut van de houthakker. En ze zeiden: “Ja, oude man, jij had gelijk en wij hadden het verkeerd voor. Wij dachten dat er een vloek over je was gekomen maar het was een zegen. Vergeef ons alsjeblieft.”
Maar de oude man antwoordde: “Je gaat weer te ver. Je kunt enkel zeggen dat het paard terug is. Je kunt ook zeggen dat er twaalf paarden meegekomen zijn. Maar je mag weer niet oordelen. Hoe kun je nu weten of dit een zegen is of een vloek? Je ziet maar een fragment. Je kunt niet oordelen voor je heel het verhaal kent. Je kunt toch een boek niet beoordelen als je enkel één pagina hebt gelezen? En als je maar één woord uit een zin hebt gehoord, dan ken je toch de hele zin niet?”
“Het leven is nog veel ingewikkelder. Dus je kunt niet oordelen over een leven met maar één zin of met enkel één woord. Je kent maar een gedeelte. Zeg dus niet dat dit een zegen is. Niemand kan dat weten. Ik ben tevreden met wat ik weet; ik breek mijn hoofd niet over wat ik niet weet.”
“Misschien heeft de oude man wel gelijk”, merkte iemand op. Ze zegden dus niet veel meer, maar eigenlijk waren ze ervan overtuigd dat de oude man het verkeerd zag. Ze wisten gewoon dat dit een zegen was. Er waren twaalf wilde paarden met dat ene paard teruggekomen en die paarden konden getemd en afgericht worden en daarna voor heel veel geld worden verkocht.
De oude man had een zoon; een enige zoon. En de jonge man begon de wilde paarden te temmen. Maar na een paar dagen kwam hij hierbij zwaar ten val en brak zijn beide benen. En weer stonden alle bewoners bij de hut van de oude man en weer hadden ze hun oordeel klaar:
“Je had weer eens gelijk”, zeiden ze. “Het is nu wel bewezen dat je gelijk had. Die twaalf paarden waren geen zegen; ze waren een vloek. Je enige zoon is hierdoor kreupel geworden en nu heb je in je oude dag niemand die je kan helpen. Nu ben je nog armer dan vroeger”.
En opnieuw zei de oude man: “Jullie kunnen toch echt niet ophouden met altijd weer te oordelen. Je gaat weer te ver. Zeg enkel dat mijn zoon zijn benen heeft gebroken. Wie weet of dit een vloek of een zegen is? Het leven komt op ons af met stukjes en brokjes. Vandaag zien we weer enkel een fragment.”
Een paar weken later brak er een oorlog uit met een buurland en alle jonge mannen uit het dorp werden opgeroepen om mee te gaan vechten. Alleen de zoon van de houthakker moest niet mee, omdat hij mank liep. En opnieuw kwamen de mensen samen rond de hut van de houthakker en de meesten huilden en jammerden omdat hun zoon naar het leger moest en omdat de kans groot was dat ze hen voorgoed zouden kwijt zijn. Want de vijand was heel sterk. Ze zouden hun zoons misschien nooit terug zien.
“Je had gelijk, oude man”, kloegen ze. “God weet dat je gelijk had. Het is weer eens bewezen. Het ongeval van je zoon was een zegen. Zijn benen werden dan wel gebroken, maar hij blijft tenminste bij je. Onze zonen zijn misschien voor goed weg.”
Opnieuw zei de oude man: “Het is toch echt onmogelijk om met jullie te praten! Je trekt altijd veel te vlug je conclusies. Niemand kan dit weten. Zeg gewoon dat jullie zonen naar de oorlog moeten en mijn zoon niet. Niemand weet of dit een vloek is of een zegen. Niemand van ons is wijs genoeg om dit te weten. Enkel God weet het!”
* * *
© Jezus Heer gemeenschap vzw